Invloeden van A1/A2-zuivel op het microbioom

De samenstelling en werking van het darmmicrobioom worden sterk beïnvloed door voeding. In deze review werd onderzocht of verschillende typen melkeiwit, namelijk A1- en A2-bètacaseïne, verschillende effecten hebben op het darmmicrobioom en daarmee mogelijk op spijsverteringsklachten en de algemene gezondheid. Dit is relevant omdat een deel van de mensen klachten ervaart na melkconsumptie, en dat lactose-intolerantie hiervoor niet altijd de verklaring blijkt te zijn. Melkeiwitten, en met name de verschillende typen bètacaseïne, vormen daarom een alternatieve hypothese voor melkgerelateerde klachten.
Het belangrijkste structurele verschil tussen A1- en A2-bètacaseïne zorgt ervoor dat bij vertering van A1-bètacaseïne het bioactieve peptide beta-casomorfine-7 (BCM-7) kan ontstaan. Bij de vertering van A2-bètacaseïne gebeurt dit niet. BCM-7 heeft opioïde eigenschappen en kan via effecten op de darmmotiliteit, ontsteking en darmbarrière indirect het darmmicrobioom beïnvloeden. De in deze review opgenomen studies zijn voornamelijk uitgevoerd in diermodellen en laten een wisselend beeld zien. Echter, in het algemeen wijzen de geïncludeerde studies op minder gunstige microbiële veranderingen bij consumptie van A1-bètacaseïne en meer gunstige profielen bij A2-bètacaseïne.
A1-bètacaseïne werd vaker geassocieerd met verstoring van de microbiële balans en een toename van bacteriën die als potentieel pathogeen worden beschouwd, vooral in combinatie met een verminderde immuunfunctie. A2-bètacaseïne daarentegen werd vaker in verband gebracht met een hogere microbiële diversiteit en een toename van gunstige lactobacillen, bifidobacteriën en Ruminococcaceae.
Voor de klinische praktijk betekenen deze resultaten dat A2-zuivel mogelijk voordelen biedt voor mensen met een spijsverteringsgevoeligheid, immuungerelateerde problematiek of een kwetsbaar darmmicrobioom. Tegelijkertijd is voorzichtigheid geboden, aangezien het merendeel van het bewijs afkomstig is uit dieronderzoek. Goed opgezette humane studies zijn nu noodzakelijk om te bepalen of verschillen tussen A1- en A2-bètacaseïne daadwerkelijk klinisch relevant zijn en inzetbaar binnen een gepersonaliseerd voedingsadvies.
Bronvermelding:
Sujani, S., Czerwinski, K. J., & Savaiano, D. A. (2026). A Narrative Review: A1 and A2 Milk Beta Caseins on Gut Microbiota. Nutrients, 18(1), 138.

Cindy de Waard - Hoofdredacteur
is farmaceutisch wetenschapper en natuurgeneeskundige. Ze werkt als freelance medisch tekstschrijver voor verschillende organisaties en tijdschriften. Daarnaast heeft ze een praktijk gespecialiseerd in darmgerelateerde gezondheidsproblemen.


